Het bestuur wil dat zijn leden zo deskundig mogelijk zijn. Bovendien wil het bestuur dit objectief kunnen meten. Hiervoor heeft het bestuur van bpfBOUW een deskundigheidsplan gemaakt. Met dit deskundigheidsplan probeert het bestuur zijn eigen deskundigheid steeds weer te vergroten. Het bestuur beschouwt het deskundigheidsplan dan ook als een essentieel onderdeel van zijn deskundigheidsbeleid.
Het deskundigheidsplan is gemaakt volgens de deskundigheidseisen van De Nederlandsche Bank (DNB). DNB heeft namelijk deskundigheidseisen voorgeschreven voor pensioenfondsbestuurders. Zo vraagt zij van pensioenfondsbestuurders om zichzelf op zeven deskundigheidsgebieden scores te geven.
De deskundigheidsgebieden zijn:
- het besturen van een organisatie (management);
- kennis van relevante wet- en regelgeving (regelgeving);
- pensioenregelingen en pensioensoorten (pensioenen);
- financieel technische en actuariële aspecten (financiën);
- administratieve organisatie en interne controle (ao/ic);
- uitbesteding en werkzaamheden (uitbesteding);
- communicatie (communicatie).
Het bestuur van bpfBOUW geeft zichzelf scores op deze deskundigheidsgebieden. Daarnaast worden deze scores door de bestuursleden onderbouwd. De deskundigheid van het bestuur kan altijd verder verbeterd worden. Een mogelijkheid om dat te doen is door middel van scholing. De volgende middelen worden daarvoor ingezet:
- jaarlijks wordt een themadag georganiseerd waar nieuwe ontwikkelingen over pensioenen worden behandeld;
- bestuursleden zijn aanwezig bij de vergaderingen van de commissie voor beleggingszaken;
- het bestuur bespreekt regelmatig de ALM-studie met deskundigen;
- het bestuur bezoekt investeringsprojecten;
- een bestuurslid neemt per jaar deel aan ten minste twee congressen of een cursus op één of meerdere relevante deskundigheidsgebieden.
De deskundigheid van het bestuur wordt regelmatig beoordeeld. Zowel voor het bestuur als geheel als elk bestuurslid afzonderlijk. De evaluatie van afzonderlijke bestuursleden wordt onder andere gedaan door de aanwezigheid bij bestuursvergaderingen, vergaderingen van beleggingscommissies en door het bijhouden van studiedagen. Maar ook door elk jaar functioneringsgesprekken te voeren. Dit wordt gedaan door de werknemers- en werkgeversvoorzitter.