Terug naar vorige pagina
Aanvullingsregelingen
De fiscale ruimte is niet in alle situaties volledig benut. De Pensioenregeling Bouwnijverheid kent een maximum pensioenloon van € 50.582,18 (2009). Als een medewerker meer verdient dan het maximum pensioenloon bestaat er over dit deel boven het maximum pensioenloon nog fiscale ruimte. Zie hiervoor ook vraag 7 over de excedentregeling die werkgevers moeten aanbieden voor het wegvallen van het vroegpensioen, de opbouw tussen 62 en 65 jaar.
Voor iedere werknemer, ongeacht de leeftijd, geldt dat er, naast de basis pensioenpremie, voor zowel de aanvullingsregeling 55+ als de aanvullingsregeling 55- premie moet worden ingehouden en afgedragen.
Arbeidsongeschiktheid
De deelnemers die voor 1 januari 2006 al premievrije pensioenopbouw wegens arbeidsongeschiktheid hadden, blijven pensioen opbouwen op het niveau van de oude pensioenregeling. Zij hebben de verruimde opbouw van de nieuwe regeling immers niet nodig: de arbeidsongeschiktheidsuitkering loopt in de regel door tot 65 jaar.
In de nieuwe pensioenregeling wordt uitgegaan van de arbeidsongeschiktheidsklassen van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA), die ingevoerd is per 1 januari 2006. Hieronder treft u het schema aan voor het berekenen van de premievrije pensioenopbouw.Arbeidsongeschiktheidsklasse: Hoogte premievrije pensioenopbouw:65% of meer 48% van uw pensioenopbouw 45% tot 65% 24% van uw pensioenopbouw35% tot 45% 12% van uw pensioenopbouwTot 35% Geen premievrije bijboekingHet recht op premievrije bijboeking ontstaat als de deelnemer 2 jaar actief in de bouwnijverheid heeft gewerkt. De verlenging van de wachttijd van 1 naar 2 jaar is het gevolg van het overheidsbesluit om arbeidsongeschikten pas na het tweede ziektejaar een WAO-uitkering toe te kennen. Deze maatregel is ingevoerd op 1 januari 2005. De werkgever heeft gedurende de eerste twee jaar een loondoorbetalingsverplichting, het 1e jaar bedraagt de ziektewetuitkering 100% en het 2e jaar 70% van het salaris. Gedurende het 2e ziektewetjaar wordt door de werkgever pensioenpremie afgedragen op basis van 70% van het loon. In de CAO Bouwnijverheid is afgesproken dat ook het tweede jaar volledig wordt opgebouwd. Het kan zijn dat uw CAO's een andere verdeling van het doorbetalen over de twee ziektewetjaren kent. Maar in alle gevallen geldt dat de aanvulling van de pensioenpremie door bpfBOUW wordt betaald. De arbeidsongeschikte deelnemers blijven overigens pensioen opbouwen op het niveau van de pensioenregeling die gold voor 2006. Zij hebben de verruimde opbouw van de Pensioenregeling Bouwnijverheid immers niet nodig: de arbeidsongeschiktheidsuitkering loopt in de regel door tot 65 jaar.
Dispensatie
Als gedispenseerde werkgever heeft u uiteraard de mogelijkheid om van pensioenuitvoerder te veranderen. Hierover zijn meestal bepalingen opgenomen in het pensioencontract. Ook heeft de mogelijkheid terug te keren naar bpfBOUW als er geen gelijkwaardige pensioenregeling wordt aangeboden. Maar het kan natuurlijk zijn dat u de vervangende regeling te duur vindt of dat u gewoonweg weer terug wilt naar bpfBOUW.
Voor werknemers, geboren voor 1950, die een vervroegde pensioenuitkering ontvangen op basis van de 55+-regeling, wordt de premie voor de pensioenopbouw vanaf 65 jaar vergoed door de VUT Stichting aan bpfBOUW. De premie wordt vergoed ter hoogte van de tot 1 januari 2006 geldende pensioenregeling . Voor gedispenseerde werknemers gaat deze vergoeding naar de werkgever.
Per 1 januari 2006 stopt de opbouw van het vroegpensioen en gelden nieuwe voorwaardelijke overgangsregelingen, ook wel de 55- en 55+ regeling genoemd. Voor de aanvullingsregelingen kunt u, net als vroeger voor de bonus, inkoop en overgangsregeling, geen vrijstelling krijgen.
Als de vervangende pensioenregeling wordt aangepast dan blijft de vrijstelling voortbestaan. De vroegpensioenregeling houdt met ingang van 1 januari 2006 op te bestaan. De oude vroegpensioenrechten blijven gewaarborgd en komen tot uitkering op de vervroegde pensioendatum. Door de verruiming van de Pensioenregeling Bouwnijverheid gaat de werknemer extra ouderdomspensioen opbouwen dat hij kan aanwenden om eerder met pensioen te gaan. Ook de vervangende pensioenregeling zal deze verruimde opbouw moeten krijgen. Voor de aanvullingsregelingen kunt u, net als vroeger voor de bonus, inkoop en overgangsregeling, geen vrijstelling krijgen.
Als een werkgever vrijstelling (dispensatie) heeft van deelname aan de pensioenregeling van het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid (bpfBOUW) geldt dat de vervangende pensioenregeling ten minste gelijkwaardig dient te zijn aan de pensioenregeling van bpfBOUW. De gedispenseerde werkgever is in november 2005 en april 2006 geïnformeerd over de nieuwe pensioenregeling en over de gevolgen die het invoeren van deze pensioenregeling heeft.
Excedent
Werkgevers dienen voor hun UTA-werknemers een excedentregeling aan te bieden over de vroegpensioenperiode. De UTA-werknemer kan van de vervroeging gebruik maken vanaf 62-jarige leeftijd tot en met zijn pensioendatum. Tijdens de oude vroegpensioenregeling konden UTA-werknemers pensioen opbouwen tot een maximum pensioenloon van € 67.031,72 per 1 januari 2005. In de pensioenregeling van bpfBOUW geldt een maximum pensioenloon van € 42.773,66 per 1 januari 2005. Het verschil in pensioenopbouw tussen het maximum pensioenloon bpfBOUW en maximum pensioenloon Vroegpensioen zal de werkgever aan zijn werknemers moeten aanbieden, in de vorm van een excedentregeling. Deze excedentregeling is vormvrij en de werkgever en werknemer betalen beide de helft van premie. De werkgever is vrij in de keuze waar hij deze verzekering onderbrengt. Als de werknemer de kosten voor het afsluiten van de excedentregeling te hoog vindt, dan kan hij er vanaf zien. De werkgever is verplicht deze regeling aan te bieden, de werknemer is niet verplicht aan deze regeling deel te nemen.
Het maximum pensioenloon van de vroegpensioenregeling is per 2009 € 80.316,72 (incl vakantietoeslag) en het maximum pensioenloon bpfBOUW is per 2009 € 50.582,18 (incl vakantietoeslag).
CAO partijen hebben afgesproken dat de werkgever een regeling moet aanbieden voor de werknemers die dit aangaat.
- Voor werknemers die geboren zijn vóór 1950, is er een collectieve excedentregeling bij bpfBOUW.
- werknemers die geboren zijn na 1949 moet de werkgever ook een regeling aanbieden. Deze excedentregeling is vormvrij en de werkgever en werknemer betalen beide de helft van premie. De werkgever is vrij in de keuze waar hij deze verzekering onderbrengt. Als de werknemer de kosten voor het afsluiten van de excedentregeling (het werknemersdeel) te hoog vindt, dan kan hij er vanaf zien. De werkgever is verplicht deze regeling aan te bieden, de werknemer is niet verplicht aan deze regeling deel te nemen.
Fiscaal
Voor de werknemers die op 1 januari 2005 jonger dan 55 jaar waren gaan wij de fiscale ruimte hoogstwaarschijnlijk op basis van bepaalde aannames berekenen. Wij zijn hierover nog in overleg met de Belastingdienst. In de praktijk zal dit waarschijnlijk niet betekenen dat wij voor iedere individuele situatie de fiscale ruimte zullen gaan uitrekenen.
Pensioenregeling
Doorwerken betekent inderdaad een hoger pensioen. Hoe hoog dit pensioen wordt, hangt van uw persoonlijke situatie af. Op Mijn Bouwpensioen kunt u een berekening maken.
Vanaf 1 januari 2006 bouwt de deelnemer nabestaandenpensioen op. Het nabestaandenpensioen bedraagt 70% van het vanaf 1 januari 2006 opgebouwde ouderdomspensioen. Als de deelnemer overlijdt in Pensioenregeling Bouwnijverheid, bestaat er in ieder geval recht op een nabestaandenpensioen van 17% van de pensioengrondslag (middelloon). Dit komt overeen met het risico-nabestaandenpensioen (23,5% van de pensioengrondslag) uit Bouwpensioen2000. Het nabestaandenpensioen in Bouwpensioen2000 was verzekerd op risicobasis. Als het risico van overlijden zich niet heeft voortgedaan, bestaat er vanaf 1 januari 2006 geen aanspraak meer op nabestaandenpensioen vanuit Bouwpensioen2000 regeling. Het opgebouwde nabestaandenpensioen in de oude DAP- en LAP-regeling (Dag Afhankelijke Pensioenregeling en Loon Afhankelijke Pensioenregeling) blijft vanzelfsprekend bestaan.
Pensioenregeling Bouwnijverheid is een middelloonregeling. Elk jaar bouwt de deelnemer een stukje pensioen op. Het opbouwpercentage is 2,25% van de pensioengrondslag van het betreffende jaar. (2,25% van het bruto jaarloon inclusief vakantietoeslag, minus het bodemloon). De pensioenaanspraken worden twee keer per jaar vastgesteld: per 1 januari en 1 juli van het betreffende jaar. Door bpfBOUW wordt een toeslag verleend op de pensioenaanspraken vanuit de Voorziening Pensioenverbetering voor zover de beschikbare middelen van het fonds dit toelaten.
Komt het wel eens voor dat bpfBOUW te veel betaalt?Een uitkering kan op twee manieren onterecht door bpfBOUW betaald zijn. In verreweg de meeste gevallen blijkt achteraf de uitkeringssituatie anders te zijn. Bijvoorbeeld wanneer verbetering van de arbeidsgeschiktheid bij het fonds pas bekend wordt nádat de arbeidsongeschiktheidsuitkering is berekend en uitbetaald. En soms is de uitkering door het fonds te hoog berekend.
Terugbetalingsbeleid bpfBOUWBpfBOUW kent een terugbetalingsbeleid. Als bpfBOUW ten onrechte een betaling naar u overmaakt waar u geen recht op heeft, moet u dit weer terugbetalen. Het terugbetalingsbeleid is bedoeld om dit op een redelijke manier te regelen.
Wat is een vordering?Het bedrag dat bpfBOUW ten onrechte aan u betaald heeft, moet u terugbetalen: dat wordt ook wel 'vordering' genoemd. BpfBOUW wil die vordering binnen het lopende kalenderjaar innen. En kent daarvoor twee manieren: verrekenen en vorderen. De ene manier: Verrekenen Verrekenen is alleen mogelijk wanneer u nog een uitkering van bpfBOUW ontvangt. De vordering wordt dan in één keer op de eerstvolgende uitkering in mindering gebracht. Dat is niet altijd mogelijk. Verrekenen in twee of meer termijnen is nodig als de vordering hoger is dan de uitkering. U wordt van het einde van de verrekening op de hoogte gebracht. In bepaalde gevallen kunt u een betalingsregeling treffen. Dat is in elk geval zo als de vordering is ontstaan doordat het fonds de uitkering onjuist heeft berekend. BpfBOUW wil de periode waarin de vordering met uw uitkering verrekend wordt zo kort mogelijk houden. Dat lukt niet wanneer een hoge vordering over een lange periode verrekend zou moeten worden met een lage uitkering. Een enkele keer zal het fonds daarom naast verrekenen ook voor de andere manier (vorderen) kiezen. De andere manier: Vorderen Vorderen is noodzakelijk wanneer er geen lopende uitkering meer is waarmee verrekend kan worden. De vordering mag in termijnen worden betaald. Daarvoor kunt u een betalingsregeling afspreken. De betalingsregeling Bij het afspreken van een betalingsregeling wordt rekening gehouden met uw financiële situatie en met bijzonderheden in uw gezinssituatie. Het fonds wil aan de ene kant voorkomen dat de aflossing in termijnen “levenslang” moet plaatsvinden. Aan de andere kant wil het fonds zo mogelijk een (minimale) uitkering blijven verstrekken. Dit laatste in het geval van verrekenen. Hoe wordt u geïnformeerd? Als blijkt dat bpfBOUW u te veel heeft betaald, ontvangt u een brief waarin de 'bruto vordering' is vermeld.
Bij vorderen:U ontvangt vervolgens bericht over de hoogte van de nettovordering. U weet dan precies hoeveel u moet terugbetalen.
Bij verrekenen:Wanneer voor verrekenen wordt gekozen, ontvangt u geen bericht. De bruto-vordering wordt bij verrekenen van de bruto-uitkering afgetrokken.
Premies
Op de premies voor de aanvullingsregelingen en de excedentregeling is de omkeerregel van toepassing. Deze premies zijn dus aftrekbaar.
Toeslag
In vraag 21 is uitgelegd dat we het gemiddelde nemen van de loonsverhogingen in de verschillende sectoren binnen bpfBOUW. Maar hoe gaan we dan om met meer dan één loonsverhoging in een jaar in een bepaalde sector? Als voorbeeld nemen we de sector Bouwbedrijf. In 2007 had de sector Bouwbedrijf twee loonsverhogingen. 0,75% op 1 januari en 1,75% op 1 juli. Hoe berekenen we in dit geval de loonsverhoging in deze sector? We tellen eerst beide loonsverhogingen bij elkaar op. Vervolgens tellen we daar 1,75% maal 0,75% bij op (verhoging op verhoging). De loonsverhoging in deze sector komt daarmee op 2,51%. Lees meer over toeslag verlenen.
BpfBOUW streeft ernaar de pensioenen van gepensioneerde deelnemers en de pensioenaanspraken van actieve deelnemers even sterk te laten stijgen als de lonen in de bouwnijverheid over het voorafgaande jaar. Hoe berekenen we de verhoging van uw pensioen? We nemen het gemiddelde van de loonsverhogingen in de verschillende sectoren binnen bpfBOUW. We houden daarbij rekening met het aantal deelnemers per sector. Hoe groter het aantal, des te zwaarder de loonsverhoging in deze sector meetelt. We spreken daarom van een gewogen gemiddelde loontrend. Omdat de loonsverhogingen in de verschillende sectoren nogal eens van elkaar verschillen, is de verhoging van uw pensioen vrijwel nooit precies gelijk aan de loonsverhoging in de eigen sector. BpfBOUW verleent toeslag onder de voorwaarde dat we voldoende financiële middelen hebben. Lees meer over toeslag verlenen.
BpfBOUWprobeert ieder jaar uw opgebouwde pensioen te verhogen met de loontrend over het voorafgaande jaar van de sectoren binnen bpfBOUW. Lees meer over toeslag verlenen.Geen automatisch recht U kunt aan de verhoging van dit jaar en aan de verwachtingen voor komende jaren geen rechten ontlenen ten aanzien van toekomstige verhogingen. U heeft dus niet automatisch recht op een toeslag. Het bestuur neemt hierover jaarlijks een besluit. We kunnen dit namelijk alleen doen als de belegde premies meer dan genoeg waard zijn om de toekomstige pensioenen van te betalen. Besluit het bestuur slechts gedeeltelijk of helemaal niet een toeslag te verlenen? Dan probeert het de achterstand in de vijf daaropvolgende jaren te repareren.
Als toeslagverlening mogelijk is, dan geldt dat voor: 1. de pensioenen van onze gepensioneerden 2. de pensioenaanspraken van deelnemers die nu pensioen opbouwen bij bpfBOUW 3. de pensioenaanspraken van deelnemers die in het verleden pensioen bij bpfBOUW hebben opgebouwd, maar nog niet met pensioen zijn (de gewezen deelnemers, ook wel ‘slapers’ genoemd).
Als er in een jaar geen volledige toeslag kan worden verleend, probeert bpfBOUW deze achterstand in de daarop volgende vijf jaren in te halen. De inhaaltoeslag gaat niet verder terug dan het jaar 2006.
Gepensioneerden en gewezen deelnemers (slapers) worden altijd met eenzelfde percentage verhoogd. Dat is wettelijk voorgeschreven. Voor de actieve deelnemers is er in de te betalen pensioenpremie een opslag opgenomen. Deze opslag zorgt ervoor dat de actieve deelnemers een aanvullende toeslag kunnen krijgen als er in een jaar geen volledige toeslag wordt verleend.
Vroegpensioen
Elke deelnemer krijgt in 2006 een Opgave pensioenrechten over het jaar 2005, de oude (vroeg)pensioenregeling. De Opgave pensioenrechten 2005 houdt al gedeeltelijk rekening met (toekomstige) opbouw in de nieuwe Pensioenregeling Bouwnijverheid.
Met ingang van 1 januari 2006 is de vroegpensioenregeling afgeschaft. Vanaf 1 januari 2006 wordt er geen vroegpensioenpremie en/of VUT-premie meer ingehouden.De opgebouwde vroegpensioenaanspraken kunnen niet worden afgekocht. De opgebouwde vroegpensioenaanspraken worden opgenomen in het vervroegde ouderdomspensioen en worden op de pensioendatum uitbetaald door het Vroegpensioenfonds.